  | Hoofdstuk 11: Dieren redden
|
|
  |
't Was allemaal de schuld van Spijtebijt. Hij had de Weerman in z'n duim gebeten, zodat de arme man van schrik dwars door de glaswand reed met z'n jeep. Er zat nu een schrikbarend gat in de glazen muur en het poolgebied vloeide door de tropen heen. En net als bij een slordige waterverftekening werd het een vies soepje. De Weerman was zo woedend dat hij Spijtebijt bij een oor greep en hem naar het gebouw sleurde. Daar gaf hij het schreeuwende jongetje drie harde tikken op z'n broek. `Daar!' riep hij. `En er komt nog meer, dat beloof ik je! En ga nou maar uithuilen bij je dikke pleegouders!' En hardhandig smeet hij Spijtebijt in het kamertje bij de twee beren. Dat was me wat! Opgetogen van blijdschap begonnen Moem en Psasj hun pleegkind te knuffelen. Ze zetten hem tussen zich in, ze likten de tranen van z'n gezichtje, ze aaiden hem en troostten hem en drukten hem knorrend en brommend tegen hun ruige vacht, tot hij ophield met huilen en tevreden met hen ging spelen. Pluk had het intussen erg druk. Hij was bezig met de jeep zoveel mogelijk dieren te redden uit het oerwoud. Telkens bracht hij een heel zwikje beesten binnen. En bij de verwarming begon het een beetje te lijken op de ark van Noach. Steeds meer aapjes en slangen en hertjes lagen en hingen over de verwarming, en aldoor kwamen er meer bij. De Weerman zelf was zo moedeloos en zo verdrietig dat hij zich als een zoutzak op een stoel liet vallen en klaagde: `M'n hele werk is vernield!’ 't Is allemaal voor niets geweest! Ik kan wel ophouden met alles.' `Kijk eens naar buiten,' zei Pluk. `Ik geloof dat er nog meer narigheid komt! Een overstroming óók nog!' De Weerman keek naar buiten en schrok. De weg was overstroomd en begon op een woeste beek te lijken. `Hoe kan dat nou?' vroeg Pluk. `De ijsbergen zijn aan ‘t smelten,' riep de Weerman. `De vriesknop! Dadelijk!' Hij holde naar het schakelbord en drukte op een grote blauwe knop. `Wat gebeurt er nu?' vroeg Pluk. `Gaat nu alles bevriezen? Wordt het nu allemaal pool?' `Ja,' zei de Weerman, `het móét wel... Voorlopig tenminste. Er zitten nog zoveel dieren in het oerwoud... ze zouden verdrinken. Zie je dat konijntje in het water? Haal het gauw binnen.' Pluk redde het beestje. Het was hetzelfde konijntje dat met Spijtebijt op de boomstam had gezeten. Hij zette het bij de verwarming. En nu begon langzamerhand de hele boel buiten te bevriezen. Het terrein werd één groot poolgebied. De weg werd hard en wit. Over het ijs kwamen allerlei vluchtende kouwelijke dieren aanglibberen. Slangen schuifelden over het ijs en aapjes kwamen aanslieren. Het werd voller en voller binnen, maar gelukkig dacht geen enkel dier erover om te bijten of een ander dier op te eten. Geen enkel dier was gevaarlijk; ze waren allemaal veel te verkleumd en te angstig. `Toch hebben we ze nog lang niet allemaal,’ zei de Weerman. `Waar blijven nou bijvoorbeeld de tijgers? D'r zijn drie tijgers! En de olifant moet er nog zitten.' `Zal ik weer met de jeep...' begon Pluk, maar de Weerman hield hem tegen. `We hebben iets beters,' zei hij. `De helikopter. Kom mee, hij staat hiernaast in de loods.' Tien minuten later vlogen ze over het bevroren oerwoud. Het was een droevig gezicht. Aan de palmen hingen ijspegels en overal lagen grote opgewaaide bergen sneeuw. Alle tropische planten waren geknakt en bevroren. Ze lieten hun blaren hangen en zagen er miezerig uit. En overal zaten groepjes kleumerige dieren. Een hele tijgerfamilie werd aan boord van de helikopter gehesen en in veiligheid gebracht. Telkens vlogen ze met een lading beesten snel heen en weer. Sommige beesten waren te groot voor de helikopter, zoals de olifant en de giraffe. Zij moesten lopen naar het gebouw, en dat kostte erg veel moeite omdat ze ontzettend koppig waren en eerst geen poot wilden verzetten. De hele verdere dag en een groot stuk van de nacht waren de Weerman en Pluk samen bezig. En pas toen alle dieren, ook de kleinste en ook de grootste, veilig binnen waren, gingen ze zitten en dronken een kop chocola. `Wat moet er nou met de pooldieren?' vroeg Pluk. `In 't begin heb ik een heel stelletje pinguïns binnengebracht en een ijsbeertje.' `Waar zijn ze dan nu?' vroeg de Weerman. `In de grote koelkast.' `Laat ze dan maar los. Jaag ze naar buiten. Straks gaan we de glaswand herstellen. En breng een kop chocola naar dat akelige kind!' Toen Pluk Spijtebijt een kop chocola bracht keek het jongetje hem angstig aan. `Is ie nog boos?' vroeg hij. `Ja, nog wel,' zei Pluk. `Als je straks naar huis gaat, mag ik dan mee? En mogen Moem en Psasj ook mee?' `Ik zal het vragen,' beloofde Pluk. Het was al bijna ochtend toen de Weerman en Pluk alles hadden gedaan wat ze konden doen. De dieren waren gered, behalve een verdronken spin en twee bevroren vlinders. De glazen wand was gerepareerd met een splinternieuwe glasplaat. De dooiknop was aangezet. Over een poosje zou het weer lekker warm worden in het tropengebied. Het water zou wegtrekken en verdampen en straks zouden al die kouwelijke dieren weer terug mogen naar hun oerwoud. En er zouden al gauw nieuwe planten groeien. De Weerman begon wat vriendelijker te kijken. Hij streek Pluk over z'n haar en hij bromde: `Bedankt, m'n jongen. Je hebt machtig geholpen. Nu wil je zeker graag naar huis?' `Ja,' zei Pluk. `Maar wat gebeurt er met Spijtebijt? Mag ik hem meenemen?' Onmiddellijk keek de Weerman weer grimmig en nors. `Nee,' zei hij. `Het spijt me erg, maar ik vind het niet goed om dat kind in de gewone wereld los te laten, zomaar tussen andere mensen en kinderen. Dat gaat niet.' `Maar wat moet er dan met 'm?' vroeg Pluk. `Ik hou hem voorlopig hier vast,' zei de Weerman. `En ik zet hem aan het werk. Karweitjes genoeg!' `Ja maar,' zei Pluk. `Tante Pleeg zit op hem te wachten. Ze heeft een landhuis voor hem gekocht. En ook de beren kunnen daar wonen… Het zou dus wel erg fijn wezen als...' `Schei maar uit!' riep de Weerman driftig. `Welja, een landhuis voor ‘m gekocht! En ‘m dan zeker maar verwennen en vertroetelen! Geen kwestie van, hij gaat niet mee. Hij moet maar eens leren dat hij niet aldoor z'n zin krijgt. En hij moet dat bijten maar eens afleren.' Pluk kreeg een kleur. Hij wilde nog vragen: hoe moet hij hier dan het bijten afleren? Maar de Weerman keek zo nijdig dat hij niets meer durfde te vragen. Een beetje schuchter zei hij: `Dan ga ik maar alleen.' `Als ik iets anders voor je kan doen, graag hoor,' zei de Weerman. `En tot ziens!' En zo ging Pluk weer naar zijn eigen wereld, alleen. Hij moest door de grot. Maar hij kende de weg op z'n duimpje. En toen hij uit de onderaardse gang kroop en tussen de struiken van het park stond, was het klaarlichte dag. Tot zijn verbazing was het hele park wit. De vijver was bevroren en op zijn kraanwagen lag een laag sneeuw. De vriesknop van de Weerman had ervoor gezorgd dat de kou ook hier was doorgedrongen. Pluk stapte in z'n wagentje en reed naar de Petteflet. ‘t Was vroeg in de ochtend en er waren een paar mensen bezig de sneeuw van de stoep te ruimen. `Goeiemorgen Pluk!' riepen ze. `Hoe is het mogelijk, hè? Sneeuw in april! En dan zoveel!' `Erg gek,' zei Pluk. `Maar het gaat straks dooien. Het wordt vandaag nog voorjaar!' Kijk, de zon schijnt al! En hij had gelijk.
|  |
|
|
|
 |
 | |