Hoofdstuk 10: Warm en koud door elkaar


leerkracht.nlLesschetsForumAdresboekColofon

Hoofdstuk 10: Warm en koud door elkaar


Het land van de Weerman was in stukken verdeeld. Daar was allereerst het grote gebouw waar hij woonde en werkte en allerlei proeven deed. Hij kon het laten regenen of hagelen. Hij kon het warmer of kouder laten worden, alleen maar door aan een knop te draaien.
Vlak achter het gebouw was het tropische gebied. En daar reden nu de Weerman en Pluk samen in de jeep, op zoek naar de verdwenen Spijtebijt. Het was verschrikkelijk heet; het pad was smal en hobbelig en ze kwamen maar langzaam vooruit. Pluk vergat om zich heen te kijken, hoewel het erg mooi was in dit tropische bos. Maar hij moest aldoor aan Spijtebijt denken. Stel je voor dat hij verdronken was in de rivier. Of misschien verdwaald in het oerwoud. Of aangevallen door een groot beest. Of door een slang gebeten. Al die dingen konden gebeuren. En wat dan? Dan moest Pluk straks aan tante Pleeg gaan vertellen dat haar kleine wilde jongetje voorgoed weg was. Pluk kreeg het erg benauwd en dat kwam niet alleen door de hitte.
Ze reden nu met de jeep langs de geweldige glazen muur. Vlak naast het warme land lag het koude land. Vlak naast de tropen was het poollandschap, en daartussen was die wand van glas, zo hoog als de hemel en zo breed dat je het eind niet kon zien. Door het glas heen zag je aan de andere kant de ijsbergen. Je zag in de verte de walrussen op de schotsen en de pinguïns, en als je goed keek zag je zelfs een ijsbeertje zitten in de sneeuw.
Maar nu stuurde de Weerman de jeep van de glaswand af en reed het oerwoud in. Hij was uit z'n humeur en bromde terwijl hij reed. `Aldoor is er iets vervelends aan de hand met dat jongetje,' zei hij. `Aldoor is hij ongehoorzaam en aldoor loopt hij weg. ‘n Hoop moeite en ‘n hoop last... dat is alles wat we beleven!'
`Ja maar, hij kan het niet helpen,' zei Pluk. `Hij is een soort berenkind. Zijn opvoeding was niet al te best.'
`Kan wezen,' zei de Weerman. `Maar áls we hem vinden, dan krijgt hij ervan langs, dat beloof ik je. Hier komen we bij de plaats waar de rivier in zee stroomt. Kijk maar, daar heb je de zee.'
Pluk zag tussen de bomen een stukje helderblauw water van de baai. De hoge planten en struiken groeiden tot vlakbij de oever; het was zo dichtbegroeid dat je nauwelijks uit de jeep kon stappen. Hoe moesten ze in dit stuk oerwoud ooit een kleine jongen vinden?
`Blijf jij maar even zitten,' zei de Weerman. Hij stapte uit de jeep, pakte zijn kapmes en wrong zich tussen al die kronkelige taaie stengels door.
We vinden hem nooit, dacht Pluk. En straks moet ik naar tante Pleeg terug zonder Spijtebijt. En wat moet ik dan zeggen?

Het duurde heel lang voor de Weerman terugkwam. En toen hij eindelijk kwam, was hij alleen en erg somber. `Niets gevonden.'
`Zal ik ook eens een poosje zoeken?' vroeg Pluk. Maar de Weerman schudde zijn hoofd. `Dat is te gevaarlijk,' zei hij. `Maar we zullen proberen nog even verder te rijden.'
Moeizaam hobbelde de jeep vooruit. Pluk draaide naar alle kanten en speurde ijverig tussen het dichte groen. Soms zag hij iets roods en dan hield hij zijn adem in... Een truitje? Maar nee, dan was het een grote vreemde tropische bloem.
`We gaan terug,' zei de Weerman. `Het is onbegonnen werk.'
Maar op dat moment greep Pluk hem bij zijn arm en riep: `Kijk daar!'
`Waar?' vroeg de Weerman en hij stopte.
`Daar,' wees Pluk. Tussen de bladeren van een reusachtige vingerplant hing iets geels.
`Het lijkt wel een wortel,' zei Pluk. `Een gewone winterwortel, maar die groeit hier toch niet?'
De Weerman stapte uit de jeep en boog de bladeren opzij. Aan de wortel zat een handje. En aan dat handje zat de hele Spijtebijt. Een slapende Spijtebijt, die daar op zijn rug in een holletje tussen twee grote takken lag.
Ze droegen hem in de jeep. En pas toen ze hem rechtop tussen zich in zetten, werd Spijtebijt wakker en keek verbaasd en knorrig tegelijk.
`Ik wil naar tante Pleeg,' was het eerste wat hij zei.
`Daar gaan we naartoe,' zei Pluk met een zucht en een lach van opluchting. Hij was zo vreselijk blij dat hij het stoute jongetje wel had willen knuffelen.
`En ik wil óók naar de beren,' zei Spijtebijt.
`Ja ja, die zul je straks ook zien,' zei Pluk. `Het komt allemaal in orde!'
Maar toen begon de Weerman te spreken. Helemaal niet vriendelijk.
`Jij bent een bijzonder lastig kereltje,' zei hij nors. `En jij moest eens flink voor je broek hebben. Nou, dat zal gebeuren!'
Ze waren nu weer op de weg langs de glazen muur. En terwijl de Weerman stuurde keek hij af en toe boos opzij naar Spijtebijt. `Iedereen in angst laten zitten!' gromde hij verder. `Die arme beren, je pleegouders, zijn doodongelukkig bij me komen aanlopen. En je andere pleegmoeder zit te huilen van ongerustheid. Maar jij trekt je daar niets van aan, hè? Drenzen maar! En zeuren en jengelen! Dat is het enige wat jij kunt, AAP!'
Spijtebijt begon heel rood te worden. Zijn haartjes, die toch al rechtovereind stonden, leken nog borsteliger dan anders. Zijn oogjes schitterden woedend.
Pluk legde z'n arm om de schouders van Spijtebijt. Hij wist uit ervaring dat je moest oppassen met dit jongetje en hij riep: `Pas op...' Maar de Weerman lette niet op hem.
`Ik zal je straks bij je lurven pakken,' snauwde hij. `En het zal je heugen, ventje. Het zal een flinke les voor je... AU! AUAUAU!!'
Spijtebijt had z'n vlijmscherpe tandjes zo fel in de duim van de Weerman gezet, dat die van schrik het stuur met een ruk naar rechts draaide. Met een kletterende slag reed de jeep, RANG... dwars door de glaswand. Rinkelend en kinkelend regenden de stukken glas om hun oren, en de splinters bleven vallen, ook toen de jeep met een ruk tot stilstand kwam. De gevolgen waren ontzettend. Er kwam een gierende windvlaag, een woedende ijzige storm die de sneeuwvlokken om hun hoofden joeg.
Ze doken in elkaar om niet getroffen te worden door al dat glas en om zich te beschermen tegen de orkaan. Spijtebijt gilde. Het woei zo hard dat ze zich aan de jeep moesten vastgrijpen, en pas toen de windvlaag na lange minuten over was, durfden ze om zich heen te kijken. En wat ze zagen was heel wonderlijk. Het poollandschap was door het tropische landschap heen gevloeid. In de palmen hingen grote brokken ijs. Trossen felgekleurde bloemen lagen op ijsschotsen. De dieren waren van her naar der geblazen, aapjes en pinguïns zaten radeloos naast elkaar. Een slang schuifelde zielig over het poolijs. Grote papegaaien tobden door de sneeuw. De pooldieren zaten te puffen tussen de lianen en de tropische beesten bibberden van de ijzige kou.
`We moeten de dieren redden,' was het eerste wat de Weerman zei. `Neem er zoveel mogelijk bij je in de jeep, Pluk. En rij ermee naar het gebouw. Dan blijf ik hier om alle beesten op één punt te verzamelen.'
Hij tilde Spijtebijt ruw op en zette hem op een ijsschots. Spijtebijt huilde en klaagde en riep: `Ik heb zo'n spijt! Ik zal het nooit meer doen!'
`Hou je mond!' zei de Weerman. `Help liever!'
Pluk lette verder niet meer op hem. Samen met de Weerman hees hij de dieren die er het ergst aan toe waren de jeep in. Het waren een ijsbeertje, een totaal verkleumde slang, een hijgende pinguïn en een treurige pagegaai.
Met dit vreemde dierentuintje op z'n voertuig reed Pluk naar het gebouw van de Weerman.



Lessuggesties bij 'Pluk redt de dieren'
Lessuggesties bij 'Pluk van de Petteflet'
De Plukpuzzel
Hoofdstuk 10: Warm en koud door elkaar
Hoofdstuk 11: Dieren redden





©Uitgeverij Zwijsen Educatief B.V.