|
|
  |
Thema: Ogen
Tijd
|
 |
|
20 minuten
|
Doel
|
 |
|
De kinderen luisteren naar een verhaal. Ze worden zich bewust van het gegeven dat een kat in het donker beter ziet dan een mens. Enkele kinderen spelen het verhaal na.
|
 |
– Lees het verhaal Wat hoor ik toch ...? voor. Laat de kinderen er eerst spontaan op reageren. Breng dan het slot van het verhaal onder de aandacht: Veerle geeft een reden waarom katten in het donker beter kunnen zien dan mensen. Begrijpen de kinderen dat dit een grap is? Is het waar dat katten beter kunnen zien in het donker dan mensen? (Zie Wat zien dieren? in de achtergrondinformatie.) – Laat enkele kinderen het verhaal naspelen. Laat ook de kat Krats door een kind spelen.
|
| |
 |
Kun jij dit met je ogen dicht?
|
|
|
|
Materiaal
|
 |
|
-
|
Tijd
|
 |
|
15 minuten
|
Doel
|
 |
|
De kinderen voeren met gesloten ogen bewegingen uit aan de hand van een versje.
|
 |
– Zeg voor de kinderen het volgende versje op: Ik heb twee ogen om te kijken. (Wijs uw ogen aan.) Net als pa, en net als moe. Dat kan dan wel gemakkelijk lijken, maar ... kun jij dit met je ogen toe ...? (Zwaai naar de kinderen.) – Vertel dat u telkens dit versje opzegt. Aan het einde maakt u een beweging die de kinderen moeten nadoen met de ogen dicht. Spreek een duidelijk teken af wanneer ze de ogen weer moeten openen, bijvoorbeeld bij aanvang van het volgende coupletje of wanneer u in de handen klapt. Kinderen die het versje kennen, mogen het mee opzeggen. – U kunt de volgende bewegingen gebruiken: Ik heb twee ogen om te kijken. Net als pa, en net als moe. Dat kan dan wel gemakkelijk lijken, maar ... kun jij dit met je ogen toe ...? · Op één been staan. · Op één been staan en vliegbewegingen maken. · Je neus aanraken. · Op één been staan en je neus aanraken. · Een rondje draaien. · Een rondje draaien op één been. – Laat om de beurt een kind het versje opzeggen en aan het slot een opdracht geven. De rest van de groep voert de opdracht met gesloten ogen uit.
|
| |
 |
Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet ...
|
|
|
|
Materiaal
|
 |
|
-
|
Tijd
|
 |
|
10 minuten
|
Doel
|
 |
|
De kinderen spelen een raadspelletje waarin de kleuren centraal staan.
|
 |
– Speel met de kinderen het spelletje Ik zie, ik zie wat jij niet ziet en het is … (U noemt een kleur.) Neem de eerste beurt zelf voor uw rekening. Neem de kleur van een eenvoudig, groot voorwerp dat opvallend zichtbaar in het lokaal aanwezig is. – Laat de kinderen raden welk voorwerp u bedoelt. Degene die het raadt, mag nu een ander goed zichtbaar voorwerp in gedachten nemen. Hij of zij noemt daarvan alleen de kleur. De anderen raden om de beurt. – Als het voorwerp na een aantal beurten nog niet is geraden, kunt u het kind het deel van het lokaal laten aanwijzen waarin het voorwerp zich bevindt.
|
 |
|
Auteur: Hans Vermeer © Uitgeverij Zwijsen Educatief B.V.
|
|  |
|
|
|
 |
 | |
|