|
|
  |
Thema: IJskoud - bloedheet
|
Warm en koud Bloedheet en ijskoud zijn voor kleuters nog ingewikkelde begrippen. Vandaar dat het voor hen al heel boeiend kan zijn om te praten over warm en koud. Aan de hand van concrete thema’s komen allerlei facetten van warm en koud aan bod. Ook de begrippen bloedheet en ijskoud worden in het gesprek betrokken. |
|
Duik in de foto Foto’s zijn ideaal om allerlei verschillende situaties naast elkaar te laten bestaan. Verschillende weertypen kun je met behulp van foto’s levendig weergeven. In deze opdracht stellen de kinderen zich voor dat ze zelf in de foto zijn. Ze moeten zich dus aanpassen aan de omstandigheden van de foto. |
|
Een spel van warm en koud Elke dag hebben we met warm en koud te maken. De begrippen zijn verweven met ons dagelijks leven. Om op een speelse manier inzicht te krijgen in de begrippen warm en koud spelen de kinderen een spel waarbij ze steeds kiezen voor een koude of een warme hoek in de klas. |
|
|
|
De kinderen verkennen de begrippen warm en koud in een groepsgesprek.
|
|
– Ga met de kinderen in een kring staan. Vertel dat u samen gaat praten over warm en koud. – Vraag de kinderen wat voor weer het vandaag is. Is het warm of koud weer? Hoe weet je dat? Kun je dat voelen? Hoe dan? Kun je het ook zien? – Vraag de kinderen wat voor kleren ze vandaag hebben aangetrokken. Zijn die warm of koud? Hoe voelt het als je het koud hebt? Wat doe je dan? Hoe voelt het als je het warm hebt? Wat doe je dan? Laat de kinderen uitbeelden hoe ze bibberen of rillen van de kou of puffen en hijgen van de warmte. Laat ze er ook bewegingen bij maken. – Vraag de kinderen welk seizoen het is. Is het een warm of een koud seizoen? Wat voor weer hoort daar bij? Wat gebeurt er in de natuur in dit seizoen? Komen dieren en planten te voorschijn om zich in de warmte te koesteren of kruipen dieren en planten juist weg voor de kou? – Vraag de kinderen welke warme en koude dingen ze allemaal kennen. (eten, drinken, warm en koud water uit de kraan, verwarming om het huis te verwarmen, vuur om op te koken, koorts als je ziek bent) – Vraag de kinderen wat het woord heet betekent. En wat betekent bloedheet? Hoe zou je je voelen als je het bloedheet hebt? (Laat de kinderen dit weer uitbeelden.) – Vraag de kinderen of ze weten wat het woord ijskoud betekent. Hoe zou je je voelen als je het ijskoud hebt? (Laat de kinderen dit uitbeelden.) – Laat de kinderen ter afsluiting een tekening maken van koude en warme dingen. Hang de tekeningen op in de klas.
|
|
 |
| |
 |
|
|
· drie foto’s waarop aan allerlei dingen te zien is of het koud of warm weer is (kies in ieder geval een foto van extreem koud weer en een foto van buitengewoon warm weer) · verkleedspullen gericht op koud of warm weerMateriaalsuggestie U kunt in plaats van foto’s ook reproducties van schilderijen aan de kinderen laten zien. Bijvoorbeeld: winterlandschappen van de zeventiende-eeuwse schilders Aert van der Neer, Hendrick Avercamp of Van Ruisdael.
|
|
|
|
|
De kinderen bekijken foto’s van koud of warm weer. Ze beelden uit hoe ze zich zouden gedragen, als ze zelf onderdeel van de foto zouden zijn.
|
|
– Vertel de kinderen dat u samen een foto gaat bekijken. Op de foto is van alles te zien. Laat de eerste foto zien. – Vraag de kinderen wat er op de foto te zien is. Wat voor weer is het? Is het heel warm of juist heel koud of is het ertussen in? Waaraan zie je dat? Laat de kinderen zoveel mogelijk dingen benoemen waaraan je kunt zien wat voor weer het is. (ramen open of dicht, kleur van de lucht, wolken, kleding van mensen, bomen en planten, paraplu of parasols, specifieke kenmerken als een ijscoman, sneeuwpop, schaatsende mensen, zwembad enzovoort) – Bekijk op dezelfde manier ook de andere twee foto’s. – Plaats nu de drie foto’s op drie plaatsen in de klas. Creëer om elke foto ruimte voor de kinderen om te spelen. Er ontstaat nu een koude hoek, een warme hoek en een hoek met een derde weertype. Verdeel de kinderen over de drie hoeken. Leg uit dat ze zich moeten voorstellen dat ze in de foto zijn. Hoe zouden ze er dan uitzien? Wat zouden ze aanhebben? Hoe zouden ze zich voelen? Wat zouden ze doen? Stimuleer de kinderen om zich te verkleden en met elkaar in het spel op te gaan. – Beëindig het spel na enige tijd en laat de groepjes van hoek ruilen. – Als alle kinderen in alledrie de hoeken hebben gespeeld, roept u de kinderen terug in de kring. Laat elk kind vertellen hoe hij of zij eruitziet en waarom. – Tot slot ruimen de kinderen de hoek op waar ze het laatst hebben gespeeld. De foto’s kunt u nog een tijdje in de klas laten hangen.Suggestie In plaats van het achter elkaar spelen in de drie hoeken kunt u er ook voor kiezen om de drie speelrondes los te koppelen. Sluit in dat geval na elke ronde in een kring af.
|
|
 |
| |
 |
Een spel van warm en koud
|
|
|
|
|
|
|
· twee plaatsen in de klas die een koude (blauw) en een warme hoek (rood) voorstellen
|
|
|
|
|
De kinderen spelen een spel waarbij ze kiezen of ze in de warme of de koude hoek willen zijn.
|
|
– Vertel de kinderen dat ze een spel over warm en koud gaan spelen. Laat ze een aantal warme en koude dingen noemen. U kunt ter introductie ook een van de andere activiteiten voor groep 1 en 2 doen. – Kies twee hoeken van de klas. De ene hoek is de koude hoek, de andere is de warme hoek. Hang als geheugensteuntje in de koude hoek iets blauws en in de warme hoek iets roods op. – Vertel de kinderen dat de blauwe hoek een koude hoek is: hier is het koud, lekker fris, maar soms ook ijzig. In de rode hoek is het juist lekker warm, maar het kan er ook buitengewoon heet zijn. – Leg de kinderen uit dat u steeds kort iets vertelt wat met warm of koud te maken heeft. Het is de bedoeling dat de kinderen tijdens het vertellen zelf kiezen in welke hoek ze willen zijn. Het gaat er dus niet om dat ze de juiste hoek kiezen, maar dat ze zelf kiezen waar ze willen zijn. Geef een voorbeeld: Het is vandaag een gure dag, de wind giert om het huis, de regendruppels tikken tegen de ruiten. De vogels op het dak zitten verscholen tussen hun veren. – Stimuleer de kinderen om naar een van de hoeken te gaan. Als alle kinderen hun plaats hebben ingenomen, vraagt u een paar kinderen waarom ze juist daar zijn. In dit geval zullen de meeste kinderen in de rode hoek zijn, omdat het daar lekker warm is. – Laat de kinderen op dezelfde manier reageren op de volgende teksten. Vraag steeds aan een aantal kinderen waarom ze juist in die hoek willen zijn. De zon schijnt in de tuin. Onder de parasol heeft mama het babybadje gezet. In mijn blootje stap ik in het water... mmm... (De kinderen kunnen kiezen voor de warme hoek, omdat ze in de sfeer van de tekst willen zijn; of voor de koude hoek, omdat het daar aangenaam koel is.) Grijze wolken, witte sneeuw. ‘Zullen we een sneeuwman maken?’ vraagt papa. (De meeste kinderen zal dit wel aanspreken, ze gaan naar de koude hoek.) Ik ben op het strand, de golven rollen over het zand, de lucht is blauw, de zon schijnt. De wind waait in mijn gezicht. Ik doe mijn jas dicht en stop mijn handen diep in mijn jaszakken. (Sommige kinderen zullen kiezen voor de warme hoek omdat het buiten koud is, andere zullen juist die koude willen voelen.) – Vraag de kinderen wat ze van het spel vonden. Sluit het spel af door de kinderen te vragen van welk soort weer ze het meest houden en waarom.
|
|
 |
| |
 |
 |
|
Auteur: Simone van Bentum-Gerich © Uitgeverij Zwijsen Educatief B.V.
|
|  |
|
|
|
 |
 | |
|