|
|
  |
Thema: Vervoer
|
Een fiets in de klas De meeste kleuters hebben een fiets. Fietsen is een spannende bezigheid voor kleine kinderen. Ze krijgen te maken met nieuwe lichamelijke gewaarwordingen als snelheid en evenwicht. Maar hoe werkt een fiets nu eigenlijk? En welke onderdelen zitten er aan een fiets? De kinderen bekijken een echte fiets in de klas. |
|
Een verkeersopstopping in de gymzaal Kleine kinderen hebben de flexibiliteit om zich in bijna alles in te leven. Ze veranderen net zo gemakkelijk in een wolk, een kabouter of een grote leeuw, als in een trein of vliegtuig. In een bewegingsspel over vervoer, dat wordt gespeeld in de gymzaal, kunnen de kinderen zich heerlijk in- en uitleven. |
|
Een fantasievliegtuig Vliegtuigen symboliseren kracht en vrijheid. We kijken ze na op hun tocht hoog door de lucht. Dat beeld prikkelt onze fantasie. Waar gaat het vliegtuig heen? Waar komt het vandaan? Kinderen laten zich ook inspireren door vliegtuigen. In deze opdracht bekijken ze foto?s van vliegtuigen en bouwen van allerlei materialen hun eigen fantasievliegtuig. |
 |
Materiaal
|
 |
|
- een kinderfiets
|
Tijd
|
 |
|
30 minuten
|
Doel
|
 |
|
De kinderen bekijken een kinderfiets in de klas en bespreken de verschillende onderdelen.
|
 |
- Zet de kinderfiets in het midden van de kring. Doe dit bij mooi weer op het schoolplein. - Vraag de kinderen wie van hen een fiets heeft. Laat ze vertellen hoe hun fiets eruitziet. (kleur, model, wel of geen zijwieltjes, versieringen, mandje voorop enzovoort) Kunnen de kinderen al fietsen? Laat ze vertellen over hun ervaringen. Is het moeilijk om te fietsen? Hoe hebben ze het geleerd? Waar gaan ze altijd fietsen? Waar moeten ze op letten, als ze fietsen? Wie draagt er een helm tijdens het fietsen? Waarom is dat? - Bekijk nu samen met de kinderen de fiets. Laat ze om beurten dingen van de fiets aanwijzen en benoemen: stuur, zadel, trappers, ketting, wielen, spaken, bel, licht, reflector, bagagedrager enzovoort. - Vraag de kinderen of ze kunnen vertellen hoe een fiets werkt. Welke functie hebben de verschillende onderdelen en hoe werken die met elkaar samen? Laat de kinderen dit op de fiets aanwijzen. - Leg de werking van de fiets op een eenvoudige manier uit. Laat de kinderen zoveel mogelijk meedoen. Gebruik de fiets om de werking te demonstreren. - Besluit de opdracht door de belangrijkste fietsonderdelen nog eens aan te wijzen en de kinderen de namen te laten noemen.
|
| |
 |
Een verkeersopstopping in de gymzaal
|
|
|
|
Materiaal
|
 |
- voldoende ruimte voor de kinderen om door elkaar te bewegen, bijvoorbeeld in de gymzaal of op het schoolplein - een trommel of ander instrument waarmee u een start- en stopsignaal kunt geven
|
Tijd
|
 |
|
20 minuten
|
Doel
|
 |
|
De kinderen spelen een bewegingsspel over vervoer door verschillende vervoermiddelen uit te beelden.
|
 |
- Ga met de kinderen naar een ruimte waar ze voldoende plaats hebben om te bewegen. Dit kan een gymzaal zijn, maar ook een grote hal, de speelplaats of een park in de buurt. - Ga met de kinderen in een kring staan. Vertel dat ze een spel gaan spelen dat over treinen, bussen, vliegtuigen, auto?s, brommers en fietsen gaat. Al die dingen vormen samen het verkeer. - Vraag de kinderen hoe een trein ?doet?. Welke beweging maakt een trein? En welke geluiden horen erbij? - Vertel de kinderen dat ze allemaal tegelijk een trein mogen nadoen. - Spreek met de kinderen af dat ze met uitbeelden beginnen, als u op de trommel slaat. Ze stoppen, als u weer op de trommel slaat. - Evalueer welk bewegingen u hebt gezien en welke geluiden u hebt gehoord. Laat kinderen met karakteristieke interpretaties deze nogmaals uitvoeren. - Laat de kinderen op dezelfde manier allemaal samen een bus, een auto, een vliegtuig, een brommer en een fiets uitbeelden. - Tot slot kiezen de kinderen hun favoriete vervoermiddel. Ze mogen dit vervoermiddel nu wat langer uitbeelden. Laat de kinderen hierbij zoveel mogelijk door elkaar en door de ruimte bewegen. Gebruik de trommel om een start- en stopsignaal te geven. - U kunt in dit bewegingsspel allerlei variaties en uitbreidingen aanbrengen. Laat bijvoorbeeld eerst alle vliegtuigen vliegen, dan de treinen rijden en daarna auto?s, brommers en fietsen. Of markeer met oranje kegels een spoorwegovergang of een verkeerslicht, waar de auto?s moeten wachten. Geef zelf met een rode of groene vlag aan of de auto?s moeten stoppen of mogen doorrijden. Teken lijnen op de vloer die wegen voorstellen waarover het wegverkeer kan ?rijden?. Maak eventueel een zebrapad op de weg, waar voetgangers kunnen oversteken. Wijs enkele kinderen aan die mogen oversteken. - Bespreek het bewegingsspel na. Wat gebeurde er allemaal? Hielden de voertuigen voldoende rekening met elkaar? Waren er botsingen? Hoe kwam dat? Laat de kinderen zelf aangeven dat het in het verkeer nodig is om rekening met elkaar te houden. Om niet allemaal op elkaar te botsen, moet je je aan bepaalde regels houden. Zulke regels zijn bijvoorbeeld dat je bij een rood verkeerslicht moet wachten en dat je verkeer van rechts voorrang geeft.
|
| |
 |
Materiaal
|
 |
- boeken met grote duidelijke foto?s van verschillende soorten vliegtuigen - allerlei bouwmaterialen, bijvoorbeeld afvalmateriaal of knutselmateriaal, maar ook houten blokken, kapla, lego, mecano, k?necks en houten banken en lappen om hutten mee te bouwen
|
Tijd
|
 |
20 minuten foto?s kijken 20 minuten bouwen (mag ook langer zijn)
|
Doel
|
 |
|
De kinderen bekijken samen foto?s van vliegtuigen en praten hierover. Ze bouwen individueel of in een groepje hun eigen fantasievliegtuig.
|
 |
- Ga met de kinderen in een kring zitten. - Vraag de kinderen wat ze weten van vliegtuigen. Hoe zien ze eruit? Waarvoor worden ze gebruikt? Hoe worden ze gemaakt? Welke soorten kennen ze? (verkeersvliegtuigen, sportvliegtuigen, zweefvliegtuigen, straaljagers) Waar gaan mensen naartoe, als ze met het vliegtuig reizen? Hebben ze wel eens in een vliegtuig gevlogen? - Bekijk samen met de kinderen de fotoboeken. Bespreek per foto wat erop te zien is. Laat de kinderen antwoorden zoeken op de volgende vragen:
|
- Is het een groot of een klein vliegtuig?
- Waar zit de piloot?
- Hoeveel mensen kunnen er meevliegen?
- Waar wordt de bagage in gedaan?
- Hoe kom je in het vliegtuig?
- Waar zitten de motoren van het vliegtuig?
- Waar zit de staart van het vliegtuig?
- Waar wordt het vliegtuig voor gebruikt?
|
 |
- Vertel de kinderen dat ze nu zelf een vliegtuig gaan maken. Dat hoeft niet een vliegtuig te zijn dat ze hebben gezien op een van de foto?s. Ze mogen ook zelf een vliegtuig verzinnen. Laat ze daarvoor nog eens denken aan de foto?s die ze hebben gezien. Welk vliegtuig vonden ze mooi? Wat vonden ze bijzonder? Hoe waren de vliegtuigen gebouwd? - Laat de kinderen kiezen welk materiaal ze willen gebruiken. Kinderen die willen knutselen gaan aan tafel zitten werken. Kinderen die willen bouwen met bouwmaterialen doen dit op de grond. De kinderen kunnen ook in een groepje een vliegtuig nabouwen van stoelen, banken, lappen enzovoort. Verdeel het beschikbare materiaal. - Laat de kinderen vanuit hun fantasie werken. Help ze bij het uitwerken van hun ideeën, als dat nodig is. - Vertel de kinderen hoeveel tijd ze krijgen om aan hun fantasievliegtuig te werken. - Bespreek na afloop de werkstukken. Laat de kinderen zelf vertellen wat ze hebben gemaakt. Stal de werkstukken uit in de klas, zodat iedereen ze kan bewonderen.
|
| |
 |
 |
|
Auteur: Simone van Bentum-Gerich © Uitgeverij Zwijsen Educatief B.V.
|
|  |
|
|
|
 |
 | |
|