Sprookjes en mythen: activiteiten voor groep 3 en 4


leerkracht.nlLesschetsForumAdresboekColofon


Thema: Sprookjes en mythen
  Sprookjes voorlezen
Sprookjes blijven voor kinderen tot de verbeelding spreken. Lees deze week elke dag een (onbekend) sprookje voor.
  Er was eens...een vervolgsprookje
De meeste kinderen luisteren graag naar sprookjes. Vaak prikkelt het hun fantasie. De kinderen bedenken zelf een sprookje. Ze doen dat door om de beurt een vervolgfragment te verzinnen.
  Een sprookjesfiguur van klei
In sprookjes komen veel verschillende figuren voor. Vaak zijn dat fantasiefiguren zoals kabouters, reuzen, heksen en tovenaars. De kinderen maken een sprookjesfiguur van klei.

Sprookjes voorlezen

Materiaal
- sprookjesboeken
- sprookjes op internet (zie achtergrondinformatie)

Tijd
20 minuten

Doel
De kinderen luisteren elke dag naar een (onbekend) sprookje dat u voorleest.

- Vraag de kinderen welke sprookjes ze allemaal kennen. Welk sprookje vinden ze het mooist?
- Vertel dat u elke dag een sprookje gaat voorlezen. Gebruik daarvoor bij voorkeur sprookjes die de kinderen nog niet kennen.
- Laat de kinderen in een kring gaan zitten. Lees een sprookje voor.
- Vraag de kinderen wat ze van het sprookje vonden. Bespreek het aan de hand van vragen als:

  • Wat vond je mooi aan het sprookje?


  • Was het een vrolijk of verdrietig sprookje?


  • Liep het verhaal goed af?


  • Wie speelden er een belangrijke rol in het sprookje?


  • Wie vond je aardig in het sprookje? Wie vond je onaardig?


  • Gebeurden er vreemde dingen in het sprookje?


  • Wat zou jij hebben gedaan als je in het sprookje mocht meespelen?
- Laat de kinderen als afsluiting het sprookje kort navertellen.
 

Er was eens...een vervolgsprookje

Materiaal
-tekenmateriaal

Tijd
20 minuten

Doel
De kinderen bedenken zelf een sprookje. Om de beurt verzinnen ze een vervolgfragment.

- Vraag de kinderen of ze van sprookjes houden. Laat ze duidelijk maken waarom ze juist sprookjes zo mooi vinden. Wat maakt een sprookje zo leuk om te lezen of naar te luisteren?
- Bespreek wat er in sprookjes allemaal kan gebeuren en welke soort figuren erin voorkomen.
- Vertel dat u samen met de kinderen een sprookje wilt bedenken. U maakt een begin en de kinderen bedenken om beurten een vervolg. Als de groep erg groot is, kunt u overwegen om bijvoorbeeld tien kinderen een fragment te laten bedenken en op een ander tijdstip verder te gaan. Maak in dat geval notities of een bandopname, zodat u de volgende keer het voorafgaande kunt herhalen.
- Begin het vervolgsprookje met: Er was eens... Bedenk een fantasiefiguur en een fantasiesituatie. Beschrijf de figuur en de situatie uitgebreid om de fantasie van de kinderen te prikkelen. Bijvoorbeeld: 'Er was eens... een grote, lieve reus. Hij had hele grote laarzen aan en droeg een knalrode jas. Op zijn hoofd had hij een grote zwarte hoed die hij alleen afzette, als hij naar bed ging. De reus woonde alleen in een diepe grot in de bergen. Hij had een kudde schapen die hij elke dag liet grazen op de weiden in de bergen. Hij floot dan melodietjes waarnaar de schapen met plezier luisterden. De reus had nog nooit iemand kwaad gedaan. Iedereen kende hem als de grote lieve reus uit de bergen. Maar op een dag komt er een vreemde vrouw langs...' Hierna stopt u. Vraag wie van de kinderen het sprookje verder wil vertellen. Als dit kind een fragment heeft toegevoegd (geef bijvoorbeeld één of twee minuten de tijd), gaat een ander kind verder.
- Bespreek na afloop wat de kinderen van het zelfbedachte sprookje vonden. Is het een mooi/spannend sprookje geworden? Vonden de kinderen het moeilijk om zelf een vervolg te bedenken?
- Herhaal de dagen hierna deze werkwijze. Aan het eind van de week hebben de kinderen dan verschillende zelfgemaakte sprookjes. Laat eventueel elke dag een groepje kinderen een vervolgsprookje bedenken, terwijl de rest luistert.
- Als afsluiting maken de kinderen een tekening over het sprookje dat ze zelf hebben bedacht.
 

Een sprookjesfiguur van klei

Materiaal
- klei
- boetseermateriaal
- verf

Tijd
30 minuten

Doel
De kinderen maken een sprookjesfiguur van klei.

- Vraag de kinderen of ze een aantal sprookjesfiguren kunnen noemen. Laat ze kort vertellen uit welk sprookje die figuren komen, hoe ze eruitzien en welke eigenschappen ze hebben.
- Maak een inventarisatie op het bord van diverse sprookjesfiguren. Dat kunnen bekende figuren zijn zoals Klein Duimpje, Roodkapje en Sneeuwwitje, maar ook algemene figuren zoals een koning, prinses, kabouter, reus, heks, tovenaar enzovoort.
- Vertel dat de kinderen een sprookjesfiguur van klei gaan maken. Dat hoeft niet per se een sprookjesfiguur te zijn die op het bord staat. Ze mogen er ook zelf een bedenken.
- De kinderen maken een sprookjesfiguur van klei. Help de kinderen door te vragen hoe hun sprookjesfiguur eruitziet. Wat voor kleren, schoenen of hoed draagt die? Wat voor gebaar maakt de sprookjesfiguur? enzovoort.
- Bak de sprookjesfiguren in de oven. Zorg dat de kinderen een holte maken, zodat de klei niet barst. Na het bakken verven de kinderen hun sprookjesfiguren.
- Zet na afloop alle sprookjesfiguren op een tafel. Ga er met de kinderen omheen zitten. Bespreek welke sprookjesfiguren er allemaal zijn gemaakt. Laat de kinderen er iets over zeggen en er eventueel een kort verhaal bij vertellen of fantaseren.
- Plaats de sprookjesfiguren op een plek waar ze gezamenlijk een mooi sprookjesbeeld vormen, eventueel met een sprookjesachtige achtergrond. Als u een uitstalkast hebt, kunt u ze daarin tentoonstellen en bijvoorbeeld op een ouderavond laten zien aan de ouders.
 

Auteur: Ben Verschuren © Uitgeverij Zwijsen Educatief B.V.



Sprookjes en mythen: achtergrondinformatie
Sprookjes en mythen: activiteiten voor groep 1 en 2

Sprookjes en mythen: activiteiten voor groep 5 en 6
Sprookjes en mythen: activiteiten voor groep 7 en 8





©Uitgeverij Zwijsen Educatief B.V.