|
|
  |
Thema: Sprookjes en mythen
|
Sprookjes voorlezen Sprookjes blijven voor kinderen tot de verbeelding spreken. Lees deze week elke dag een (onbekend) sprookje voor. |
|
Sprookjesfiguren Sprookjes zijn rijk aan fantasiefiguren. De kinderen benoemen bekende sprookjesfiguren. Daarbij beschrijven ze zowel het uiterlijk als de eigenschappen. |
|
Een sprookje tekenen De manier waarop kinderen sprookjes beleven, is erg persoonlijk. Ze tekenen een sprookje dat hen het meest aanspreekt. |
Tijd
|
 |
|
20 minuten
|
Doel
|
 |
|
De kinderen luisteren elke dag naar een (onbekend) sprookje dat u voorleest.
|
 |
- Vraag de kinderen welke sprookjes ze allemaal kennen. Welk sprookje vinden ze het mooist? - Vertel dat u elke dag een sprookje gaat voorlezen. Gebruik daarvoor bij voorkeur sprookjes die de kinderen nog niet kennen. - Laat de kinderen in een kring gaan zitten. Lees een sprookje voor. - Vraag de kinderen wat ze van het sprookje vonden. Bespreek het aan de hand van vragen als:
|
- Wat vond je mooi aan het sprookje?
- Was het een vrolijk of verdrietig sprookje?
- Liep het verhaal goed af?
- Wie speelden er een belangrijke rol in het sprookje?
- Wie vond je aardig in het sprookje? Wie vond je onaardig?
- Gebeurden er vreemde dingen in het sprookje?
- Wat zou jij hebben gedaan als je in het sprookje mocht meespelen?
|
 |
|
- Laat de kinderen als afsluiting het sprookje kort navertellen.
|
| |
 |
Materiaal
|
 |
|
- afbeeldingen van sprookjesfiguren
|
Tijd
|
 |
|
20 minuten
|
Doel
|
 |
|
De kinderen benoemen bekende sprookjesfiguren. Daarbij beschrijven ze zowel het uiterlijk als de eigenschappen.
|
 |
- Vraag de kinderen of ze bekende sprookjesfiguren kunnen noemen. Wat voor figuren zijn dat? (prinsessen, reuzen, dwergen, heksen, tovenaars) - Bespreek de verschillende sprookjesfiguren. Laat zo mogelijk afbeeldingen zien. Vraag hoe de figuren eruitzien en welke eigenschappen ze hebben. Stel vragen als:
|
- Hoe zien ze eruit?
- Zijn ze groot, klein, lang, dik enzovoort?
- Wat voor kleren dragen ze?
- Is er iets wat ze altijd bij zich hebben? (een heks met een bezemsteel)
- Zijn ze aardig of onaardig voor anderen?
- Doen ze vreemde dingen?
- Zijn ze altijd hetzelfde of veranderen ze wel eens?
- Vind je ze aardig, grappig, eng, slecht?
|
 |
|
- Laat de kinderen ten slotte afbeeldingen van sprookjesfiguren verzamelen en die op een prikbord hangen. Als de kinderen in de loop van de week nieuwe afbeeldingen meebrengen, krijgen die ook een plaatsje op het prikbord.
|
| |
 |
Materiaal
|
 |
|
- tekenmateriaal
|
Tijd
|
 |
|
30 minuten
|
Doel
|
 |
|
De kinderen tekenen het sprookje dat hen het meest aanspreekt.
|
 |
- Vraag de kinderen welk sprookje ze het mooist vinden. Waarom vinden ze dat mooier dan andere sprookjes? - Vertel dat de kinderen een tekening van hun lievelingssprookje mogen maken. - De kinderen tekenen dit sprookje. Stimuleer hen om met lijnen en kleuren aan te geven wat ze van het sprookje vinden. Als de kinderen een sprookjesfiguur lief vinden, kiezen ze een lieve kleur. Vinden ze een sprookjesfiguur eng, dan kiezen ze een enge kleur. - Hang de tekeningen op. Laat de kinderen raden welke sprookjes getekend zijn. Vraag of ze aan de vormen en de kleuren kunnen zien wat de tekenaar van het sprookje en de sprookjesfiguren vindt. Dat kan leiden tot eenvoudige opmerkingen als 'de reus is veel groter dan de anderen getekend' tot 'de heks ziet er eng uit, omdat ze helemaal zwart is'. - Tot slot vertellen enkele kinderen in het kort het sprookje na dat ze getekend hebben. Zo nodig vullen de andere kinderen het verhaal aan.
|
| |
 |
 |
|
Auteur: Ben Verschuren © Uitgeverij Zwijsen Educatief B.V.
|
|  |
|
|
|
 |
 | |
|