Gebarentaal: activiteiten voor groep 1 en 2


leerkracht.nlLesschetsForumAdresboekColofon


Thema: Gebarentaal
  Berichten zonder taal
Communiceren doe je meestal via taal. Maar ook zonder taal kun je iemand iets laten weten. Gebaren en gezichtsuitdrukkingen zeggen soms meer dan woorden. De kinderen spelen een communicatiespel zonder taal.
  Zien hoe je je voelt
De gemoedstoestand van iemand is vaak te herkennen aan zijn houding, gezichtsuitdrukking en gebaren. De kinderen tekenen zichzelf in vier verschillende gemoedstoestanden.
  Het verkeer regelen
Hoewel agenten het verkeer nauwelijks nog regelen, blijft verkeersagentje spelen leuk voor kinderen. Bovendien leren ze zo dat er regels zijn in het verkeer.

Berichten zonder taal

Materiaal
-

Tijd
15 minuten

Doel
De kinderen 'zeggen' iets tegen elkaar zonder gebruik te maken van de taal.

- Vraag de kinderen hoe je elkaar iets kunt vertellen. Laat ze zelf ontdekken dat je niet alleen via de taal, maar ook met behulp van gebaren en gezichtsuitdrukkingen iemand iets kunt vertellen. Geef enkele voorbeelden, bijvoorbeeld: het gebaar van kwaad zijn (vuist in de lucht), het geluid van huilen (snikken), een lachend gezicht. De kinderen raden wat u wilt zeggen.
- Laat de kinderen om beurten een gebaar maken, een geluid horen of een bepaald gezicht trekken. De andere kinderen moeten raden wat er bedoeld wordt.
- Vertel de kinderen dat het nu wat moeilijker wordt. U gaat een boodschap uitbeelden. Geef een voorbeeld: ik kom met de auto naar school (op uzelf wijzen, de school aanwijzen en met uw handen een sturende beweging maken). Begrijpen de kinderen wat u wilt zeggen?
- De kinderen mogen nu zelf boodschappen zonder taal aan elkaar doorgeven. Om te helpen, kunt u een boodschap in hun oor fluisteren en eventueel welke gebaren daarbij horen. Houd de boodschappen simpel en dicht bij huis, bijvoorbeeld: ik vind het leuk om te tekenen (tekenbeweging plus schuddende hand langs blij gezicht), wil jij met mij gaan fietsen? (kind aanwijzen plus met handen een fietsbeweging maken plus vragend gezicht), enzovoort.
- Vraag tot slot of de kinderen het moeilijk vonden om op deze manier berichten door te geven. Waren alle berichten goed te begrijpen? Wanneer geef je op deze manier een bericht door? (Als je te ver weg staat om gehoord te worden of als er teveel lawaai is.)
 

Zien hoe je je voelt

Materiaal
- tekenvellen met vier tekenvakken
- materiaal om te tekenen en te kleuren

Tijd
20 minuten

Doel
De kinderen tekenen zichzelf in vier verschillende gemoedstoestanden.

- Vraag aan de kinderen hoe je aan iemand kunt zien of hij blij of verdrietig is. Laat het hen voordoen. Kun je dat aan het gezicht zien, aan de armen, aan andere delen van het lichaam? Geef nog enkele voorbeelden van gemoedstoestanden, bijvoorbeeld: boos en bang.
- Deel de tekenvellen uit en vertel de kinderen dat ze in vier tekeningen op één blad zichzelf mogen tekenen als ze blij, verdrietig, boos en verlegen zijn.
- De kinderen tekenen zichzelf in het eerste vak als ze blij zijn, in het tweede vak als ze verdrietig zijn, in het derde vak als ze boos zijn en in het vierde vak als ze verlegen zijn. Laat ze dit vak voor vak doen. Bij de tekening in het vierde vak, die lastiger is, bespreekt u eventueel hoe je eruitziet als je verlegen bent.
- Na afloop bespreekt u de tekeningen, waarbij de verschillen tussen de vier tekeningen centraal staan. Zie je er anders uit als je verdrietig bent dan als je verlegen bent? Kun je dat aan je ogen, gezicht, mond, handen, armen, benen of andere lichaamsdelen zien? Hoe zie je dat?
- Als u nog tijd over hebt, kunt u een nieuw tekenvel geven en vier andere gemoedstoestanden als opdracht geven, bijvoorbeeld: bang, geschrokken, verbaasd, vermoeid en zenuwachtig.
 

Het verkeer regelen

Materiaal
- krijt of linten om een kruispunt aan te geven

Tijd
20 minuten

Doel
De kinderen spelen dat ze als agent het verkeer regelen. Daardoor leren ze tevens dat er verkeersregels zijn.

- Vraag de kinderen of ze wel eens een agent het verkeer hebben zien regelen. Wanneer was dat? (Bij een ongeluk, als de verkeerslichten het niet doen.) Welke gebaren maakt een agent als hij het verkeer moet regelen? Bespreek de verschillende gebaren die een agent dan maakt. (Stoppen, doorrijden, rijrichting aangeven, enzovoort.)
- Vertel de kinderen dat ze een verkeersspel in het speellokaal of de gymzaal gaan spelen. Eén van de kinderen is verkeersagent, de anderen (of een kleinere groep) zijn verkeersdeelnemers.
- Begin met een makkelijke situatie: een kruispunt van vier wegen met alleen auto's. Eén kind speelt verkeersagent, de andere kinderen spelen autobestuurders (die allemaal rechtdoor gaan).
- Nu wordt de situatie iets moeilijker: enkele autobestuurders moeten linksaf of rechtsaf (met de hand aangeven). Laat de verkeersagent zelf uitzoeken wie wanneer mag doorrijden.
- Als de kinderen de vorige situaties goed kunnen regelen, kunt u de verkeerssituaties complexer maken, bijvoorbeeld door fietsers en voetgangers toe te voegen. Ook kunt u andere situaties laten spelen, zoals een verkeersongeluk, een brand (toeschouwers weghouden) of een omleiding.
- Bespreek niet alleen of de verkeerssituaties goed geregeld werden, maar ook hoe ingewikkeld het verkeer soms kan zijn en dat daarvoor regels nodig zijn.
 

Auteur: Ben Verschuren © Uitgeverij Zwijsen Educatief B.V. en KRO



Gebarentaal: achtergrondinformatie

Gebarentaal: activiteiten voor groep 3 en 4
Gebarentaal: activiteiten voor groep 5 en 6
Gebarentaal: activiteiten voor groep 7 en 8





©Uitgeverij Zwijsen Educatief B.V.